Villa Pelseneer

Architect Ed. Pelseneer (1870-1947)

Deze villa werd gebouwd door architect Edouard Pelseneer volgens een bouwaanvraag daterend van 1908, die officieel werd ingediend door de schoonvader van de architect, senator Max Lion. Deze laatste had inderdaad op deze laan een breed terrein verworven, destijds de 'Avenue de Longchamps' genoemd. Hierop liet hij rond 1910 naar plannen van Pelseneer drie woonhuizen (nrs 51 - 53 - 55) voor zijn familie bouwen. Het nr. 51, het enige gebouw dat overblijft, werd rond 1911 de eigen woning van de architect Pelseneer.

De huidige eigenaar, Theo De Beir, kocht het gebouw aan in december 1998. Op 4 maart 1999 werd het opgenomen in de lijst van beschermde monumenten en landschappen, door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zowel de buitengevels als het interieur werden geklasseerd.

Edouard Pelseneer (1870-1947) wordt gerekend bij de beste vertegenwoordigers van de Brusselse Art Nouveau. Omwille van zijn begaafdheid werd hij aangeduid om België te vertegenwoordigen op de internationale tentoonstelling van 'Decoratieve Kunsten' van Turijn in 1902. Pelseneer bouwde in 1895 de beroemde woning 'les Hiboux' (Brugmannlaan 55), waarvan de gevel sinds 1983 beschermd werd, maar het interieur vernietigd (hij bracht meubelen, haarden, e.d. over naar de Longchampslaan 51). Kort daarna deed de geraffineerde estheet Fernand Knopff beroep op Pelseneer om zijn eigen woning met atelier te realiseren, een waarlijke tempel van het symbolisme dat bewonderd werd over heel Europa en afgebroken in 1930.

De villa, gelegen Churchilllaan 51 kan als een scharnier beschouwd worden in de carrière van Pelseneer. Hoewel het interieur van het linkerdeel en meerdere details van de gevel teruggrijpen naar de vormentaal van de geometrische Art Nouveau is het uiterlijk een vrije interpretatie in de geest van Art and Crafts van de cottage architectuur, wat getuigt van een architecturale optie die uitzonderlijk was in die tijd. Indien men het vroegtijdige experiment van Van de Veldes 'Bloemenwerf' in 1895 buiten beschouwing laat, blijkt inderdaad dat dit type van cottage in het algemeen beperkter in omvang, slechts na de eerste wereldoorlog in België verschijnt uit reactie tegen een modernisme dat als té functionalistisch werd beschouwd. Op esthetisch vlak, vormen de gevels van de cottagewoning gelegen Churchilllaan 51 een geslaagde compositie met een complex spel van volumes. Er dient eveneens opgemerkt te worden dat het complexe aspect van deze gevels direct weerspiegeld wordt in de indeling van het huis. Buiten en binnen zijn dus op coherente wijze met mekaar verbonden. Het blijkt dat thans de villa het enige nog bestaande Art Nouveau interieur van Pelseneer bezit, wat bijdraagt tot zijn bijzonderheid en het belang van het gebouw.

In het linkerdeel is nog bijna de totaliteit van het meubilair onroerend door bestemming bewaard met inbegrip van de dienstvertrekken (keuken, voorraadkamers, hangkasten, bijvertrekken). Het betreft meubilair van uitzonderlijke kwaliteit, inspelend op de polychrome houtsoorten, verwant met de productie van Gustave Serrurier Bovy. Dit meubilair en de meeste deuren van het huis hebben hun sloten in messing bewaard, in zeer originele Art Nouveau stijl.

Een ander karakteristiek element is het belang dat gehecht wordt aan de verzorgde kwaliteit van deuren en schrijnwerk. Alle houtwerk zou gerealiseerd zijn door de firma Henri Pelseneer, een bloeiende familiezaak. De vader van Edouard, Henri Pelseneer, werd inderdaad beschouwd als één der voorname Art Nouveau meubelmakers in Brussel. Hij realiseerde de meeste meubels en deuren van Horta.

Thans geïsoleerd tussen twee appartementsgebouwen, is deze villa één der laatste dat nog getuigt van de rijkelijke woningen die het prestigieuze karakter bezorgden aan de Churchilllaan. Hier gaat het om een gebouw van zeer grote kwaliteit, uitstekend bewaard. De villa is dus niet enkel een meesterwerk van een erkend Art Nouveau architect, maar ook een mijlpaal in de Brusselse architectuurgeschiedenis van die eeuw.

Andere realisaties van Architect Pelseneer zijn nog te bewonderen in binnen- & buitenland:

  • Het Huis ‘les Hiboux’ - Brugmannlaan 55 - Brussel;
  • Het thans Koninklijk Atheneum - Knokke;
  • Hôtel de l’Ambassade d’Espagne’ – Montoyerstraat 26 - Brussel;
  • 'Le Grand Hôtel’ - Saas-Fee (Zwitserland);
  • ‘Châlet des Sépioles’ - Wimereux (Frankrijk);
  • ‘Hôtel de la Société des sucreries et raffineries de Roumanie’ - Boekarest (Roemenië);
  • en nog vele andere.

De buitengevels

Deze villa, terugwijkend van de laan gelegen, bestaat uit 4 gevels en bezit twee bouwlagen onder een gevarieerde bedaking. Dit dak met natuurleien wordt verlicht door dakvensters in het noorden en het oosten. De gevels zijn verlevendigd door in- en uitspringende gedeelten, met uitzondering van de rechterzijde (noord-oost) die glad is gebleven. De gevels zijn, boven een onderbouw in blauwe breuksteen, voorzien van een dunne laag bezetting op de benedenverdieping.

De eerste verdieping is behandeld met een vakwerk met houten panelen en platen in similisteen. De volumes zijn op pittoreske wijze opgevat: enkele gedeelten zijn vooruitspringend; andere, in de vorm van dakvensters, driehoekige puntgevel, soms ingewerkt of een erker met puntgevel. Kleine afdaken of luifels overkragen de vensteropeningen of markeren de scheiding van de niveaus. Hun onregelmatige schikking draagt bij tot de originaliteit van de compositie van de gevels.

De voorgevel bezit twee inkomdeuren onder gekoppeld impost. De linkerdeur vormt een portiek onder een luifel. De garage links werd ingericht omstreeks 1956. Bij deze gelegenheid werd het terugwijkende gedeelte heraangelegd.

Het interieur

Het interieur van de villa, in Art Nouveau-stijl, is intact geconserveerd. Het gaat eigenlijk om een dubbel huis, geconcipieerd in functie van de beroepsbezigheid van de heer Pelseneer. Privé werd gescheiden van de praktijk, rekening houdend met de mogelijkheid om te communiceren over alle niveaus.

Het rechterdeel huisvestte zijn architectenprakijk en is het huidige kantoorgedeelte gebleven. Vanaf de aanvang werd dit gedeelte gedecoreerd en ingericht in een andere stijl dan het hoofdgedeelte (oosten). Hier bevonden zich de burelen van Ed. Pelseneer. De decorelementen en lambriseringen zijn geheel in het wit geschilderd terwijl in het andere gedeelte het hout meestal zichtbaar is gebleven. De toegangstrap in marmer, overkraagd door een origineel gewelf en het trappenhuis onder een glazen dak, de trapleuning in hout en smeedijzer, vormen een soort van vrije interpretatie van een meer klassiek vocabularium, met enkele elementen ontleend aan de Art Nouveau.

In het centrale gedeelte, (links - privégedeelte), is er in de indeling handig gebruik gemaakt van de pittoreske stijl van de gevels met bow-windows en alkoven (o.a. in de vertrekken en de badkamer van de eerste verdieping). Bij het binnenkomen, na de inkomtrap, beslaat de benedenverdieping links, over de gehele oostkant, een reeks van drie opeenvolgende vertrekken (salons en eetkamer).

Rechts, langs de straatkant, een kleine vestiaire met toilet - een glas in loodraam met de voorstelling van een spinnekop - een kast en een bank.  In het centrum een ruime hal met mozaïekbevloering waarin een eretrap.

Achterin een ruime keuken met betegelde vloer en wanden. Een kleine zijkamer net als de keuken, voorzien van brede buffetkasten en een kolomlift. Dit zijvertrek communiceert langs een houten trap met de kelders, overal betegeld en eveneens voorzien van schrijnwerk.

Het salon vooraan (nu bureel Theo De Beir) bezit in de noord-oosthoek een ingewerkte bank, waarboven een klein kastje. Hiertegenover, een houten schoorsteenmantel – een soort cosy corner vormend – waarboven een reliëf met de voorstelling van een vrouw in profiel. Het schrijnwerk is fijn afgewerkt met cannelures en een delicaat motief van gestileerde roos, typisch voor de geometrische Art Nouveau.

De eetkamer in het midden, waarvan de zoldering gedecoreerd is met vervlochten balkjes, bezit recht tegenover het venster met omlijsting in bewerkt hout, een haard in de lambrisering ingewerkt.

De achterdeur met glas in lood met de voorstelling van een landschap geeft uit op de tuin. Recht tegenover de alkoof, een schoorsteenmantel, eveneens gedecoreerd met Art Nouveau schrijnwerk, versierd met consoles, krantendrager, enz. 

Het indrukwekkende trappenhuis is overkraagd door een lantaarn met cirkelvormige motieven. De houten trap bezit een duidelijke structuur als een skelet naar een voorbeeld van de eerste realisaties van Van de Velde en Hankar. Het beglaasde dak is omzoomd door een opvallende houten structuur als gewelfzwik.

De trap vormt op de verdieping een galerijoverloop. Hier werden de deuren op subtiele manier bestudeerd (o.a. vlindervorm in de hoeken).

Op de eerste verdieping is de indeling van de hoofdvertrekken en bijvertrekken gearticuleerd in functie van de diensten. Vooraan bevindt zich er de oorspronkelijke badkamer met betegelde wanden met witte en groene geometrische motieven. Hiernaast een ruime hangkast.

De oostkant werd in beslag genomen door leefruimtes van de Ed. Pelseneer (let op de uitzonderlijke Belgische haard in de huidige conferentieruimte). De laatste verdieping via een merkwaardige houten trap met leuning versierd met dezelfde geometrische motieven die in de keukenkasten terug te vinden zijn.

Voor een reportage van het vroegere interieur van Villa Pelseneer, klik hier.